![]()
JAN VAN HOOGTEN: VOOR VLAANDEREN EN DIETSLAND
Meer
dan 93 jaar heeft Jan onder ons gewoond. Wie in Antwerpen enige voeling kreeg
met het Vlaamsnationalisme, leerde zeer vlug Jan van Hoogten kennen. Zijn
reputatie ging hem voor: eerlijk en onbaatzuchtig, eigenzinnig-koppig en
radicaal, veeleisend voor zichzelf en zijn medestanders, onverbiddelijk,
onverzoenlijk en onbarmhartig tegenover België en zijn profiteurs-patriotten. In
1975-1976 één van zijn directe medewerkers geworden – en later tot mijn vreugde
zijn goede vriend – leerde ik een uitermate boeiende persoonlijkheid kennen.
Jan van Hoogten, geboren te Antwerpen op 11 juli 1900, groeide als vrijgevochten knaap op in de volksbuurten van zijn geboortestad, waar hij kennis maakte met het ruwe bestaan van dagloners – getekend door de dagelijkse zorg voor het naakte leven – maar toch trotse Sinjoren, fier om hun Antwerpen met de Schelde en Brabo, met de kathedraal en Rubens op de Groenplaats. Gelijk alle arbeiderskinderen moest ook Jan vroeg gaan werken, zorgen voor de eigen kost. Hij was intelligent en leergierig en wilde “vooruit komen”. Op eigen initiatief liep hij avondschool om een bekwaam behangergarnierder te worden. Zo moet hij in 1917 kennis gemaakt hebben met Volksopbeuring, een Activistische organisatie voor “volksverheffing”. Naast de materiële hulp om de nood van een harde bezetting enigszins te lenigen, richtte Volksopbeuring ook lesavonden in, onder meer voor Nederlands en “Vlaamse” geschiedenis.
Jan vond in het Activisme een klankbord voor zijn ingeboren zucht naar recht en vrijheid. Hoe vaak heeft hij verteld over een grootvader, een overtuigd socialist in de strijd voor algemeen stemrecht, die werd neergeschoten door de gendarmen bij een stakingsrel aan “den Bougie”, de kaarsenfabriek te Borgerhout. Die grootvader was voor het recht van de “kleine man” gevallen. Het recht van die “kleine man” werd de hoofdbekommernis voor Jan. Daarom groeide zijn verontwaardiging over de onverdiende ellende van de Vlaamse piotten aan de IJzer, meestal eenvoudige arbeiders, onder wie velen niet geletterd waren en uit miserie in het leger waren beland, tot een afschuw voor een staat – het opgedrongen Belgisch vaderland – die deze “kleine man” verachtte en in het Frans – dat deze niet verstond – het vuur en de dood instuurde.
Omdat die “kleine mensen” Vlamingen waren stond Jan, amper achttien jaar, bij de Activisten. In 1918 ontmoette hij voor de eerste maal dr. Borms. Zelf vertelde Jan hoe deze man met zijn stralende vriendelijkheid, zijn volle krachtige stem, zijn veroverende geestdrift voor Vlaanderen en het Vlaamse volk, zijn hart inpalmde. Vanaf die dag was Borms voor Jan de grote, eerlijke voorman, de onbetwiste leider.
De bevrijding uit de oorlog met de wapenstilstand van 11 november 1918, met de opgeschroefde feestroes van de Belgische patriotten om de militaire nederlaag van Duitsland, moet Jan beleefd hebben als een hoon voor de vrede in Vlaanderen. De Aktivisten, die in het land gebleven waren, werden opgebracht en hun huizen ongestraft door het grijpgrage gepeupel leeggeplunderd. Borms werd aangehouden en na een geruchtmakend proces voor het Assisenhof van Brabant een eerste maal ter dood veroordeeld. De jonge van Hoogten heeft dit, naar eigen getuigenis, aangevoeld als de bevestiging van het blijvend onrecht door België aan Vlaanderen aangedaan. Hij achtte het zijn plicht dit onrecht met al zijn middelen te bestrijden, ook met Vlaamse vuisten op franskiljonse koppen. Zelf vormde hij zich tot een bekwaam vakman met daarnaast ruime belangstelling voor het hele wereldgebeuren. Die belangstelling was voor hem logisch gekleurd door het prisma van zijn Vlaamse overtuiging, door zijn wil naar sociale rechtvaardigheid. Bij de Vlaamsnationalisten en bij de uit de oorlog teruggekeerde Vlaamsbewuste oud-strijders vond Jan een zelfde bekommernis.
Met die oud-strijders vond Jan, de “jonge arbeider zonder vaderland”, de weg naar zijn vaderland: Vlaanderen. Zijn vanzelfsprekende gehechtheid aan Antwerpen boetseerde hij zelf tot een fiere, het geheel omvattende genegenheid voor het ganse land, zoals dichter René de Clercq schreef: “Thans is mijn geest gerijpt, mijn liefde gans: Mijn lied en leven luidt: GROOT-NEDERLANDS.” Zo werd de flamingant een strijdbaar nationalist, een militant, een bijna uitzonderlijk “politiek soldaat” in de toenmalige Vlaamsnationale beweging die het “nooit meer oorlog” beleefde in een vaak ostentatief compromisloos pacifisme.
Jan van Hoogten is altijd een vechtersnatuur geweest. Eens schreef hij zelf: “vreten om niet gevreten te worden”. Hij schuwde het gevaar niet, ook niet het lijfelijke, maar veroordeelde iedere roekeloosheid; al durfde hij meer dan eens zijn eigen tactiek doorzetten, ook als meer bedachtzamen vreesden voor de gevolgen. Hij kreeg reeds vroeg de roep van eigenzinnige koppigaard, die bijna alle richtlijnen aanpaste aan de eigen inzichten, inpaste in het “eigen kraam”. Daarom ageerde hij meestal in de marge van de partijpolitiek die hij slechts zeer moeizaam aanvaardde als een “noodzakelijk kwaad”. Dit belette hem echter niet in alle verkiezingsperioden van 1919 tot 1939 het veldwerk voor de propaganda te doen: met de papborstel en -emmer, de pamfletten, de discussies van man tot man, en ja... ook met de rellen met even ‘fanatieke’ tegenstanders, die voor Jan franskiljons en rood waren. Zoals zo velen heeft hij voor die inzet geen achting en nooit beloning gekregen.
Daarnaast volgde Jan met intense belangstelling de evolutie van het flamingantisme, van de Vlaamse Beweging naar een nationalistische, aanvallende Vlaamsnationale beweging. Hij las bij voorkeur de geschriften van de Activisten. Daarin werden voor hem dezelfde accenten gelegd: Vlaamse onafhankelijkheid gekristalliseerd in de Groot-Nederlandse droom, intense sociale bewogenheid met een geheel-volkse solidariteit als de duidelijke tweevoudige afwijzing van de liberaal-kapitalistische plutocratie en het internationaal communistisch collectivisme.
In de dagelijkse Vlaamse politieke actie lag voor Jan van Hoogten de klemtoon op een eendrachtige strijd voor amnestie met als eerste doel de vrijlating van dr. Borms uit de centrale gevangenis van Leuven. Met zijn onstuimige dadendrang steunde Jan voluit de strekking van dr. Antoon Jacob, de Antwerpse Activist, die zijn straf had uitgezeten en zich even radicaal als vrijgevochten mengde in de partijpolitiek. Reeds in 1925 eiste deze in het Vlaamsch Front de eerste plaats voor dr. Borms op de Kamerlijst op, wat door het toenmalig partijbestuur met Herman Vos en Herman van Puymbrouck om tactisch-pragmatische redenen werd afgewezen.
Geen nood: binnen en buiten de partij werd de agitatie rond amnestie onverdroten voortgezet, met meer en meer weerklank in het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond en het Verbond van Vlaamsche Oudstrijders, tot zich in 1928 een enige kans voordeed met een tussentijdse verkiezing voor de Kamer, waar Borms wel de kandidaat was van het Vlaamsche Front met de slogan: “Elke stem voor Borms is een stem voor amnestie!”
Het Vlaamsch Front triomfeerde bij die Bormsverkiezing van 9 december 1928, waarbij de 83.000 stemmen op Borms de Brusselse regering verplichtten om dr. Borms onvoorwaardelijk vrij te laten in januari 1929.
Over deze periode heeft Jan altijd in geuren en kleuren verteld met alle wetenswaardigheden en onvergetelijke anekdoten. Zelfs op hoge leeftijd zinderde zijn stem nog vol geestdrift, want Jan wilde, als geboren verteller, meedelen en overtuigen. Het was immers de tijd van het Vlaamsch Verweer, dat onder zijn leiding in de eerste plaats de veiligheid van dr. Borms wilde waarborgen tijdens diens vele tochten door Vlaanderen na zijn vrijlating.
Het begin van de jaren dertig werd gekenmerkt door een voortdurende versplintering in het Vlaamsnationale kamp, gevolgd door een gepolariseerde herschikking van het radicale politiek landschap. Antwerpen leek daarvoor een opmerkelijke, maar spijtige staalkaart: enerzijds het bastion van het Vlaamsche Front met het dagblad De Schelde, daarnaast de Kristene Vlaamsche Volkspartij van Scheere en Lagrou en daar tegenover het pas opgerichte Verdinaso met zijn DMO en vanaf 1933 het VNV met de Grijze Brigade. Een tijd lang moet van Hoogten met zijn Vlaamsch Verweer een geïsoleerde vrijbuiterplaats hebben ingenomen. Niet zelden geraakte hij betrokken bij min of meer hevige straatrellen met de toen zeer ‘actieve’ Socialistische Jonge Wachten, want Jan vertrok vaak vanuit het offensief; de aanval is immers de beste verdediging.
Opmerkelijk is ook dat Jan vanaf 1933 tot 1992 een enthousiast deelnemer en wervend propagandist is geweest van de Vlaamsch Nationale Zangfeesten. Het heeft hem dan ook zeer veel genoegen gedaan voor de laatste maal in 1992 als eregast te kunnen aanwezig zijn in het Sportpaleis. De Zangfeesten zijn voor hem altijd hoogdagen geweest van het Vlaams-Nederlands bewustzijn. Hij geloofde in de kracht van het lied. Hoe dikwijls heeft hij niet herhaald: “Zingen maakt de gedachten krachtiger”. Ieder jaar ‘herkauwde’ hij begeesterd zijn ontroering over een geslaagd Zangfeest, al moest hij zijn wrevel verbijten wanneer het Sportpaleis niet gezinderd had van eensgezinde strijdbaarheid. Nooit heeft hij echter afgehaakt: volhouden, doorzetten voor Vlaanderen eerst, voor het “eendrachtige Vlaanderen van dr. Borms”.
Jan moest zijn trouw aan Borms, aan Vlaanderen, aan zijn gedroomde Dietsland zwaar betalen aan België dat hij verachtte omdat die staat model stond voor machtswillekeur en verdrukking van ons Vlaamse volk. Op 10 mei 1940 werd hij opgesloten in de Antwerpse gevangenis en “ontsnapte” hij aan de konvooien naar de Franse concentratiekampen. De vlugge opmars van de Duitse legers gaf hem zijn vrijheid terug en zo kon hij – weer op de bres – bij de behouden terugkeer van de nationalistische voormannen zorgen voor een ordelijk verloop van de huldevergaderingen te Brussel, Antwerpen en elders, niet gestoord door rancuneuze tegenstanders. Zijn sociale bewogenheid zal hem tijdens de bezetting bij de ‘Organisation Todt’ brengen, waar hij als vertrouwensman van de Vlaamse arbeiders hun belangen zal behartigen. Zijn aandacht ging in de eerste plaats naar de achtergebleven gezinnen in een zware bezettingstijd met al de kleine, nooit aflatende zorgen voor het “dagelijks brood”. Eerlijk en onverbiddelijk was hij tegenover iedereen, als het moest ook onverschrokken tegenover onbegrijpende ‘Dienststellen’.
Voor zijn militante Vlaamsnationale inzet van 1919 tot 1944 beloonde België hem met een jarenlange cursus wederopvoeding in opeenvolgende repressie-‘instituten’: Antwerpen, Brugge en Merksplas. Daar moest hij de Belgische moord op dr. Borms vernemen (12 april 1946): hij zou zijn “ongekroonde koning van Vlaanderen” nooit meer kunnen begroeten… De fierheid over de ongebroken houding van Borms heeft de diepe wonde om dit verlies nimmer kunnen goedmaken. Van dan af rijpte bij Jan van Hoogten de wens om de gedachtenis aan dr. Borms in Vlaanderen nooit te laten verloren gaan. Dit zal voor de rest van zijn leven zijn grootste en blijvende opdracht worden. Eens vrij, in 1951, begon Jan met de karige middelen van die jaren aan zijn “kruistocht voor Borms”. Hij droomde van een “echte film” over het leven van Borms. Spoedig echter bleek dit opzet niet te verwezenlijken: geen middelen, geen mensen. Hij bleef echter alles wat – zij het ook van verre – enig verband hield met Borms en zijn tijd verzamelen, niet zozeer als een persoonlijke hobby, maar in dienst van de Bormsgedachte. Met de hulp van enkele medewerkers stelde Jan een tentoonstelling samen: foto’s, documenten en “anekdotische voorwerpen”, die elke expositie zoveel levendiger maken. Met die tentoonstelling trok Jan door heel Vlaanderen. Zeventig geworden liet hij zich nog niet door de moeilijkheden afschrikken: ongerechtvaardigde hetze, bedreigingen, heuse tegenbetogingen (onder meer in De Pinte) konden hem niet van zijn plan afbrengen. Wie herinnert zich niet de bijna jaarlijkse Bormstentoonstelling in de Boterhalle te Diksmuide, tot ook die mogelijkheid door linkse hetze werd tenietgedaan? Uit deze actie en de werking van een occasioneel Bormskomitee, gepatroneerd door het Antwerpse ‘Reisgezelschap De Pallieters’, ontstond het Borms Dokumentatie- en Aktiecentrum (BDAC) dat vanaf 1975-1976 de zorg en de verantwoordelijkheid op zich nam voor een jaarlijkse Bormsherdenking, telkens rond 12 april te Merksem.
Jan van Hoogten waakte erover dat deze Bormsherdenking een zuiver Vlaamsnationale bezinningsdag was en bleef. Herhaaldelijk drukte hij erop dat dit zo blijven moest! Rond het graf van Borms vallen, zij het voor éénmaal, alle verschillen tussen groepen en partijen weg, omdat wij daar de man gedenken die zijn leven lang geijverd heeft voor de eendracht onder alle bewuste Vlamingen:
“Samen één voor het Vlaanderen eerst”
In diezelfde geest heeft Jan ook gewerkt aan de realisatie van een Bormshuis te Antwerpen. Eigenlijk zonder grote ruchtbaarheid heeft Jan jarenlang aan dit opzet gewerkt en enkele vrijwilligers kunnen bezielen om zoals hij, dag aan dag, te bedelen om de noodzakelijke fondsen bijeen te brengen. Wanneer in 1979 het echtpaar van Hoogten moest verhuizen uit het vertrouwde huis aan de Antwerpse Kreeftstraat, stelde Jan op een door hem bijeengeroepen vergadering van een tiental getrouwen zijn plan voor: een Bormshuis te Antwerpen waar hij – bijna tachtig – als “huisbewaarder” zou kunnen wonen. Zijn medewerkers en vrienden, door Jan overdonderd, keken verrast op en adviseerden unaniem afwijzend. Dan heeft Jan nog eens met zijn bekende koppige eigenzinnigheid zijn beslissing doorgezet: “desnoods alleen, maar het Bormshuis komt er”. Reeds jaren had hij op dit plan gebroed maar, praktisch als hij was, had hij – met al te weinig vrijwilligers – ervoor gezorgd dat het BDAC, vrij en onafhankelijk, ook voor het Bormshuis geen enkele “macht” naar de ogen moest kijken. Jan wilde een Bormshuis dat, door de naamloze “kleine man” tot stand gekomen, een levend museum zou worden voor dr. Borms, waar alle Vlamingen thuis zouden zijn. In 1980 kon hij het bestuur van het BDAC uitnodigen om de aankoopakte met hem te gaan tekenen bij de notaris: het Bormshuis aan de Volkstraat te Antwerpen was een feit!
Jan heeft in de echte zin van het woord zelf dag aan dag gesloofd om het pand op te frissen en klaar te krijgen voor zijn doel: een tentoonstellingsruimte, een bibliotheek, een archiefafdeling. Hij kon rekenen op enkele helpers, op eigen familie, op deskundig advies en nu en dan op de bijstand van vaklieden. Er zijn weinigen in Vlaanderen die zulk een project zullen waarmaken. Jan heeft het gedaan op tachtigjarige leeftijd. Het zal altijd de grootste verdienste blijven van Jan van Hoogten dat hij het Bormshuis aan Vlaanderen en in de eerste plaats aan de Vlaamsnationalisten geschonken heeft. Op zijn 91ste jaar moest hij de zorg aan anderen overlaten. Het stemt ons nog altijd weemoedig dat Jan zijn vernieuwde Bormshuis niet meer met eigen ogen heeft kunnen zien. Bij het bekijken van de foto’s heeft hij nog gezegd: “het is schoon geworden”.
Dank u, Jan.
Zo hebben wij Jan van Hoogten gekend en we herhalen wat reeds bij een vorige gelegenheid werd gezegd: Jan is een levend stuk van onze wondere Vlaamse Beweging. Zeer menselijk in alle omstandigheden en met zijn gaven en tekortkomingen was hij niet altijd even gemakkelijk in de dagelijkse omgang; daarvoor was hij te impulsief, te rechtlijnig en ook te koppig. Deze ‘gebreken’ verzinken evenwel in onze herinnering. Jan van Hoogten blijft voor het BDAC – en ook voor Broederband – voortleven als de militant van het dagelijkse leven, ongezien, meestal onbeloond. Werkelijk: Jan heeft niet voor niets geleefd. Het leven van deze “kleine man” was groot in en door zijn liefde voor Vlaanderen, gedragen door zijn onbreekbare trouw en zijn bijna mystieke verering voor dr. Borms, wiens laatste woorden Jans levensdevies zijn geweest:
“Leve Vlaanderen, Dietsland houzee!”
Wim van Onckelen (†)
Voorzitter BDAC 1993-1996Lees hier een interview met Jan van Hoogten uit 1982.