![]()
JAN VAN HOOGTEN
Tekst van een interview met Bormshuisstichter Jan van Hoogten (1900-1993) uit 1982, met toelating van auteur Pieter Jan Verstraete en uitgever Kris Barrezeele overgenomen uit het boek Vlaamse portretten, uitgeverij De Nederlanden, Antwerpen, 1985, ISBN 90-6583-051-0, pp. 51-79.De oorspronkelijke spelling en typografie werden behouden. Ter verduidelijking werden voetnoten en annotaties tussen [ ] toegevoegd.
1900 (11 juli):
geboren in Antwerpen.
1914-1918:
betrokken bij het Aktivisme.
1919: betrokken
bij de oprichting van de Vlaamsche Wachten.
1928: stichter van
het Vlaamsch Nationaal Jeugdverbond.
1929:
medeoprichter van het Vlaamsch Verweer.
1940 (mei): op
bevel van de staatsveiligheid enkele dagen opgesloten.
1945: tot
levenslange opsluiting veroordeeld.
1951: vrijlating.
1972:
medeoprichter van het Borms Dokumentatie- en Aktiecentrum.
Meneer van Hoogten, u wordt dit jaar 82. Een leeftijd waarop u van een welverdiende rust zou mogen genieten. Maar u bent nog altijd heel aktief in de beweging. Zo heeft u het Borms Dokumentatie- en Aktiecentrum mee uit de grond helpen stampen. Mogen wij hierover iets meer vernemen?
Wel, het BDAC is ontstaan uit het Bormskomitee en de Borms Dokumentatie Filmstudio. De bedoeling was een film over dr. Borms te draaien. De filmploeg, o.a. Jaak van L., Simonne C., Frans Lauriks, Mevrouw Mathijssen en Sus de Wit waren hiermee begonnen rond 1955. Omdat ik zeer veel Vlamingen kende werd mij gevraagd fotomateriaal op te sporen. Zo ontstond een hele reeks beelden als voorbereiding. Toen het ernst werd had ik wel enkele bezwaren tegen een speelfilm. Ikzelf stond na mijn vrijlating reeds in briefwisseling met Clemens de Landsheer (1) voor de aankoop van films over de Bormshulde (2), de Fraternellendag (3), de Kester- en Wemmellanddagen enz. Omdat ik daar persoonlijk bij betrokken ben geweest. Ook de filmploeg interesseerde zich hiervoor. Toen bleek dat men niet over de nodige gelden beschikte, kocht ikzelf de films en beloofde deze ter beschikking te houden. Toen ik vernam dat het dus een speelfilm ging worden drong ik aan op de realisatie van een dokumentaire, vermits een speelfilm nooit de kans zou krijgen om vertoond te worden. Overigens had niemand interesse om ons financieel te steunen. Dus vingen we bot.
Wanneer is het B.D.A.C. ontstaan?
Het B.D.A.C. is, zoals ik reeds zei ontstaan in 1971 uit het nationaal Komitee door samenvoeging van het Bormskomitee en de Bormsfilmstudio. De “Pallieters” (4) hadden tot dan toe voor de jaarlijkse Bormsherdenking gezorgd. Rik Baeckelmans had zich de laatste jaren ten volle hiervoor ingezet, waarvoor mijn hulde aan deze verdienstelijke man. Omstreeks 1959 had de eerste Bormstentoonstelling plaats te Antwerpen. Van dan af bezochten wij bijna alle steden van Vlaanderen tot wij ten slotte in de Boterhalle te Diksmuide belandden. We hadden met terreurdaden af te rekenen en kregen zelfs doodsbedreigingen, waar wij ons niet aan stoorden. Dit gaf ons de gelegenheid steungeld in te zamelen en een klein kapitaal te vergaren. Toen tot de oprichting van het B.D.A.C. werd besloten hadden we ongeveer 36.000 fr. in kas.
Wie waren de leidende figuren naast u tijdens de eerste jaren?
Uit het Bormskomitee ontstond het B.D.A.C. v.z.w. met zijn afgevaardigden als beheerders. Het dagelijks bestuur werd waargenomen door mij, als voorzitter, Rik Baeckelmans, als sekretaris, Juul van Opstal en Jules Rosci als bijzitters. Standregels werden opgesteld en goedgekeurd en verschenen in het staatsblad.
Raf van Hulse (5) trok zich terug om gezondheidsredenen en [Octaaf] de Graeve gaf ontslag als voorzitter van “De Pallieters”. In januari 1972 had de eerste statutaire vergadering [van het BDAC] plaats. De Bormsherdenking was in voorbereiding. Rik Baeckelmans was intussen overleden. Groot was onze verbazing om van Guido van der Meersch (6) te vernemen dat het Bormskomitee nooit ontbonden was geweest en hij de Bormsherdenking aan het voorbereiden was. Wie van dat komitee deel uitmaakte kregen wij niet te horen. Juul van Opstal en Raf van Hulse werden verzocht die kwestie op te lossen en te zorgen dat de eenheid zou behouden blijven. Ook om de gelden van het fonds [bedoeld is het Bormskomitee] en de dokumentatie die in het beheer waren van Baeckelmans terug te bezorgen. Aangezien intussen de maand april naderde en we de schijn van eenheid wilden redden, lieten wij aan van der Meersch de herdenking over en het B.D.A.C. hield een tentoonstelling in het lokaal Tijl (7). Alle onderhandelingen en verschillende pogingen tot verzoening en goede wil ten spijt, liep alles spaak op onwil en tegenkanting. Van de kas en de rest hebben we nooit nog wat gezien. We zijn dan maar gestart met hetgeen in de kas van de Film- en Dokumentatiestudio zat (36.000 fr.). Wegens de erbarmelijke organisatie van de Bormsherdenking heeft het B.D.A.C. op verzoek van de familie [Borms] vanaf 1976 de Bormsherdenking in handen genomen tot tevredenheid van iedereen.
Als we ons niet vergissen is het B.D.A.C. in het bezit van een rijk archief en een ruime biblioteek. Hoe is dat gegroeid?
Ik sta sinds 1917 dagelijks in de beweging en heb in de loop van de jaren wel het een en ander bijeen gekregen alhoewel in 1919 en 1945 [bedoeld is bij de beide repressies] veel verloren is gegaan. Op onze tochten door Vlaanderen groeide ons bezit bestendig aan: o.a. tijdschriften en jaargangen van De Schelde en Volk en Staat (8), die, eens ingebonden, een hele lading vertegenwoordigen. Dit alles stapelde zich op, zodanig dat toen de eerste verdieping in de Kreeftstraat 24 vrijkwam (9), waar ik woonde, de bibliotheek en het archief er een plaats kregen. Toen dat huis echter later verkocht werd stonden wij voor de keuze. Een ander gebouw huren ofwel er een kopen. Toen ik de aankoop van een huis aan de raad van beheer voorstelde, vroeg men mij of ik gek geworden was, en wat ik in mijn hoofd haalde. Het kapitaal van de vereniging was intussen echter aangegroeid maar het geheel was echter niet voldoende. Ik zette mij dus in om een bedelpartij te beginnen. De gulle ontvangst voor dit doel was een grote aanmoediging en ik zette door. Tot de gelegenheid zich voordeed en Jules Rosci en ikzelf de aankoop van het huis, Volksstraat [juist is Volkstraat] 30 te Antwerpen konden tot stand brengen. De bezwaren waren weggewuifd en sindsdien is er in dat huis, het Bormshuis, reuzewerk verricht: schilderen, metselen, muurbekleding enz. Mijn jongste zoon heeft een heel jaar praktisch met mij alleen het gelijkvloers ingericht. Materiële hulp bij de inrichting hebben we heel weinig gehad ondanks het feit dat er honderden Vlaams-nationale gepensioneerden zijn. En krijg ik hulp van hen, dan blijven ze na de eerste maal alweer weg. Toch ben ik dankbaar voor wat men heeft gedaan. Want het Bormshuis staat er, als een aanklacht en monument in een straat en een wijk die wij niet beter konden wensen. Aangezien er toch iemand moest inwonen, ben ik er zelf gaan wonen. Ik vreesde nochtans dat ik er dan elke dag tot over mijn hoofd zou “inzitten” wat dan ook gebleken is. Intussen is er zeer veel aangekocht en kregen we enkele schenkingen. P. Stevenisheydens (10), een jonge medewerker is hier iedere vrije dag present en zorgt voor het aanvullen van het archief. Terwijl Lieve van Onckelen (11) voor de trefwoordenlijst zorgt.
We hebben ons kunnen overtuigen dat het archief heel wat uniek fotomateriaal bezit?
Dat is inderdaad zo. Iedereen kan komen kijken. Nu de tentoonstelling te Diksmuide in de Boterhalle niet meer mag plaatshebben, is het Bormshuis de aangewezen plaats. De ruimte geeft de gelegenheid alles netjes tentoon te stellen en te verzorgen. Naast een kleine winkelruimte is een grotere ruimte beschikbaar voor een permanente tentoonstelling van foto’s, schilderijen, handschriften en dokumenten. Op de gang en in het trapportaal is een Vlaams-nationale fotogalerij. Op de eerste verdieping vooraan is het archief en de bibliotheek ingericht. Achteraan is er een studeerkamer met de adressenkast van Broederband waarvoor ik insta. Een aantal studenten heeft reeds van het archief gebruik gemaakt en zij hebben hun voldoening laten blijken. Hun proefschriften liggen trouwens ter inzage. Wij kregen reeds bezoek uit het buitenland, o.a. een groep uit Oostenrijk. Ook uit Kortrijk en Gent b.v. en van heel veel jongeren kwam er reeds belangstelling. Van de grote praters uit de grote Vlaamse partijen heb ik er nog niet veel gezien. Komt misschien nog? Dat is het B.D.A.C. Ik kan nog tot morgenvroeg zo doorgaan maar dat is niet de bedoeling.
Uw dagen zijn nog meer dan gevuld?
Ja, dat houdt mij misschien jong! Ik heb geen tijd om ziek te worden. ’s Avonds moeten ze mij niet in slaap wiegen! Ik ben telkens vermoeid genoeg. Ik heb een gezonde nachtrust en ik sta ’s morgens fit en uitgerust op.
Maar laten we nu eens beginnen bij de aanvang. U werd op de prachtige dag van 11 juli 1900 te Antwerpen geboren.
Ja, op de Rui, in het hartje van Antwerpen, in de Bonte Mantelstraat, recht over de Meistraat, met zicht op de toren van de St.Jacobskerk. Krot en arme buurt, zoals die in iedere stad te vinden waren. Zeker in Vlaanderen wegens de sociale achteruitstelling en de achterlijke toestanden. Die straat bestaat niet meer. Ze werd afgebroken om de Vogelmarkt meer ruimte te geven. (12) Het was een schilderachtig uitzicht vanuit het venster. Ik heb van dat uitzicht eens een schilderijtje gemaakt.
U schildert ook?
Schilderen, tekenen, hengelen, heb ik altijd nodig gehad om tot rust te komen. Het is het beste middel om te ontspannen. Niemand in de buurt en alleen met uzelf. Want ik kan u verzekeren dat mijn aktiviteiten en verantwoordelijkheden tegenover de kameraden soms zo zenuwslopend waren dat ik hunkerde naar rust en afzondering. Dat vond ik het best in die genoemde bezigheden. Vis ving ik niet, kunstwerken maakte ik ook niet maar het hielp.
Wie waren uw ouders?
Ouders? Kan ik ze wel zo noemen? Twee hoog, een plaats in de woonruimte, keuken en wasplaats, leven en bekvechten over tekort aan geld. Twee mensen die elkaar toeblaften. Het beste was om uit de buurt te blijven. Kwam men huilend troost zoeken, dan lachte men u uit en men noemde u kleinzerig. De straat was onze woonst en de gehele buurt was één familie. Mijn ouders waren gewone volksmensen, politiek rood, zeker langs moeders zijde omdat haar vader Neel Bisschop, bij een werkstaking voor algemeen stemrecht aan den “Boegie” te Borgerhout was doodgeschoten door een pandoer [= Rijkswachter] (13). Jaarlijks werd klein en groot meegesleurd in de kruisplanting naar het Kielkerkhof. Nu staat de zuil [een obelisk voor de (vijf) slachtoffers van het Algemeen stemrecht] op het erekerkhof op het Schoonselhof. Langs vaderszijde is Tielen de geboortestreek en Antwerpen voor de andere kant. Vader was dokwerker, meer zonder werk dan met. Wie de ploegbazen bij de uitbetaling in hun kroegen niet de nodige profijten in drank bezorgde, werd niet aangeworven. De straat was mijn terrein, geweld was mijn verweer. We waren op onszelf aangewezen, plantrekken en ons zeer eenzaam voelen, vloeken en vloeken!
Mijn ouders gingen uiteen, de maat was zeker te vol. Mijn zusters en jongere broer bleven bij moeder, en ik? “Neemt die maar mee, trekt uwe plan!” Vader zond mij naar Borgerhout naar zijn ouders, waar ik bij mijn vriendelijk, gastvrij grootje terecht kwam. De onrust, het dubben en aarzelen, het vijandig aanvoelen als zevenjarige knaap op de lange weg naar de Schoenstraat te Borgerhout, heeft in mijn hele leven een litteken nagelaten. Maar de andere omgeving, de invloed van het kristelijk Trientje, mijn grootje, is zeker in mijn voordeel geweest. Toen ik in een koffer boeken van Zola, Victor Hugo, maar ook [Hendrik] Conscience vond, was ik de koning te rijk. Germinalle (14), De verborgenheden des volks (15), geschiedenis en rottoestanden, het liet allemaal wat indrukken na. Maar boeken als Wonderland (16), De Kerels van Vlaanderen [1871], De Boerenkrijg [1853] werden meer dan eens verslonden. Terwijl de Leeuw van Vlaanderen [1838] mij voorgoed te pakken kreeg. Daar kregen de gehate Fransen op hun donder! Jan Breydel werd mijn idool. De naam John stond mij niet meer aan. Het moest voortaan Jan zijn en het is Jan gebleven. Mijn Vlaams beleven werd voor altijd op de geest van de geweldige Breydel afgestemd. En als de kruidenier Jos Luyten op de hoek nog een handje hielp door mij de Vlaamse Leeuw en andere Vlaamse liederen aan te leren, tot ik het van buiten kende, zat het spel helemaal op de wagen. Het veranderen van school was niet in mijn voordeel. Ik begon een klas te hoog, de onderwijzer dronk… Vanaf het begin voelde ik mij niet welkom, spijbelde tweemaal in de week en kreeg een hekel aan de school van de [Borgerhoutse] Prins Leopoldstraat. Na mijn kommunie ging ik dan ook werken als leerjongen bij een behanger, waar ik bleef tot het uitbreken van de oorlog 1914-1918.
Hoe ging het verder tijdens de Eerste Wereldoorlog?
Die nacht toen de oorlog uitbrak werd ik wakker door de oudjes die aan het venster stonden te redetwisten. Grootvader zei “Het is een Zeppelin”. “Nee, het is een trein”, beweerde grootmoeder. Maar toen de prachtige zilverkleurige “sigaar” ronkend in de nacht verscheen, moest men niet meer twijfelen. Toen kort daarop de eerste ontploffingen volgden was het zeker: de oorlog was begonnen. Een radio was er nog niet. Daarom ging het er veel rustiger aan toe dan in 1940 toen de Mynck (17) als een zot te keer ging en de mensen de stuipen op het lijf joeg met zijn vijfde kolonne, en de was aan de Siegfriedlijn (18). De opgeroepenen vervoegden rustig hun eenheid, terwijl het kommentaar zijn gang ging. Het werk viel stil. Ik kreeg de nodige kweddelen [ruzie] met mijn baas, en werd werkloos. Het Belgisch leger kwam bij mij over als zijnde op de vlucht, achtervolgd door het overwinnende Duitse leger.
In 1917 ging ik als behangersgast werken bij de heer Celis in de [Antwerpse] Carnotstraat. Hij vond me onbekwaam als gast en was bereid me de stiel degelijk aan te leren. Ik ging akkoord. Ik moest naar de vakschool waar ik een grondige opleiding kreeg. Celis was een overtuigd Vlaming, Nederlands verbonden en aanhanger van het aktivisme. Mijn Vlaams-zijn werd hier bijgeschaafd. Ik volgde lessen bij Volksopbeuring (19). Daar leerde ik beschaafd Nederlands. Ik volgde iedere woensdag de debatavonden in de zaal Thalia in de Carnotstraat, en kreeg hierdoor mijn eerste Vlaams-nationale vorming. Ik kreeg het dikwijls aan de stok met de klanten omwille van hun Franse komplimenten tot grote wanhoop van mijn goede baas Celis. Deze gaf mij dan ook de raad van baas te veranderen. Wat ik dan ook deed. Ik kwam bij de gebroeders van Praet terecht. De ene broer was verwoed franskiljon, de andere matig Vlaamsgezind. Wie netjes sprak was aktivist, dus boche [scheldnaam voor Duitsers]. En als men dan op de koop toe nog Vlaamse liederen zong kon het niet anders of men kreeg het aan de stok met de klanten. Dan moest ik opkramen en men liet een andere gast komen. Ik werkte dus het meest in de werkplaats en leerde daar Jos van Praet, die nieuwsgierig was naar de liederen die ik zong, “De Blauwvoet” en andere radikale liederen aan. Dit tot grote woede van zijn franskiljonse broer en moeder. Ik werd leider van de afdeling Guldenspoor van de Vlaamse padvinders, lid van de pas opgerichte Frontpartij en een van de weinige propagandisten bij de eerste verkiezingen van 1919. Van Praet heeft toen nog een foto van mij gemaakt terwijl ik aan het plakken was.

Jan van Hoogten, de onvermoeibare Vlaams-nationale propagandist, hier aan de slag voor het Vlaamsche Front in 1919. (© AMVC-Letterenhuis)
Waar bent u na de oorlog terechtgekomen?
Door dit alles had ik voortdurend moeilijkheden met mijn vader en mijn grootvader. Grootmoeder was op het eind van de oorlog overleden. Ik maakte mijn pakske en trok eruit. Ik nam mijn intrek bij mijn moeder aan de Vogelmarkt. Op 11 juli 1920 wapperde de leeuwevlag in de Bontemantelstraat [eigenlijk: Bonte Mantelstraat]. Ik werd gewond op de Grote Markt in Antwerpen door een sabelhouw van de ordediensten. Het is die dag dat Herman van den Reeck werd neergeschoten en viel als offer voor ons ideaal. Toen Jos van Praet in het hospitaal werd opgenomen, kreeg ik mijn zak [dialect voor ontslag] en werd werkloos. Ik heb dan tot mijn legerdienst bij de overheidsdienst van het “takszegel” gewerkt en toen kreeg ik het met de Waalse direkteur aan de stok.
In december 1921 werd ik soldaat. Ik had bij de keuring al herrie gehad omdat ik het leeuweschildje niet van mijn jas wou doen. Na een botsing met de Waalse brigadier (ik liet mij immers niet ongestraft voor “sale flamin” uitschelden) zat ik de eerste dag al in het cachot. Bij de kommandant kreeg ik de nodige raadgevingen en waarschuwingen en de raad om niet meer te herbeginnen. Zijn raad heb ik zeker niet goed opgevolgd, want ik heb zeer veel straf opgelopen, veel Vlaamse lol beleefd en een lange tijd na mijn klas moeten dienen (20). Na mijn diensttijd werkte ik op de Minerva (21) als autogarnierder, waar ik gedurig last had met de vakbond en de rode partijpolitiekers. Zij zorgden ervoor dat ik afgedankt werd.
Hoe was de sfeer toen?
Tussen 1918 en 1925 was het een rumoerige tijd. Vervolging van de aktivisten, hoogtij van de patriottische franskiljons die hun tijd gekomen achtten. Opnieuw verfransing van de Gentse Rijksuniversiteit, broodroof en afzetting, het Bormsproces en zijn terdoodveroordeling, de amnestieaktie daarrond, de eisen van de frontsoldaten. Met driestheid en woede kwamen wij, niet-vervolgde jong-aktivisten in verzet. Het was een tijd van verboden betogingen en franskiljonse arrogantie. Antwerpen kwam reeds vanaf 1919 op straat en beet van zich af. Na de eerste verkiezingsmeeting in de “Apolon” in de Brederodestraat trokken wij al zingend en eisen tierend met een honderdtal betogers, waaronder enkele frontsoldaten in uniform naar het centrum. Onderweg werd aan de huizen van Adelfons Henderikx (22) en Leo Augusteyns (23), allebei aangehouden in hun woning, hulde gebracht. Op de [De] Keyserlei werd vanuit een herberg tegenbetoogd en werden we voor boche gescholden. Het werd een gevecht in regel, de vitrine ging aan diggelen en de patriotten werden door de waaier van de deur geklopt. De 11 juli-betoging, spontaan gevormd door frontsoldaten en jong-aktivisten werd geschouwd vanop een balkon aan de Meir [nu een bekende winkelstraat te Antwerpen] door Amerikaanse officieren, die een afvaardiging soldaten met de vaandrig op het balkon nodigden terwijl beneden de betogers verder opstapten. Zo gebeurde het ene incident na het andere. Dat de rijkswacht, de politie en de veiligheid van de staat niet mals waren in die dagen, dat kan ik u verzekeren. Overal was ik er bij. Het loonde de moeite. Blutsen en builen, aanhouding, kom, men moest dat er allemaal bijnemen. Het was een harde, heftige maar plezierige tijd. De Frontwacht (24) en het Nederlandsch Studenten Verbond waren altijd van de partij in de strijd.
Wat was De Witte Garde?
Als in het parlement de Hogeschoolkwestie of de amnestie-eis aan de orde was kwamen de Belgischgezinde studenten op straat om tegen te betogen. “Gand Français” en “A bas Borms” was dan niet uit de lucht en ik vond dat daar niet genoeg tegen opgetreden werd. Daarom deed ik beroep op wat potige kameraden, die meest mijn gezelschap zochten en ik stichtte De Witte Garde, getooid met witte frak en stevige stok. De Frans taterende studenten van het Institut de Commerce werden hardhandig aangepakt en hen werd het leven te Antwerpen, zuur gemaakt. Hun witte petten verdwenen uit het stadsbeeld. Toen in 1932 op ons een beroep werd gedaan, door enkele Vlamingen die onbekend wensten te blijven maar de onkosten van de aktie zouden dragen, om ter gelegenheid van het bezoek van Albert I en de koning van Spanje een amnestiemanifestatie te organiseren, nam ik ook dit aan en begon met de voorbereiding. We drukten 2000 amnestiekaarten met de eis: “Eisen Algehele Amnestie” en voerden een fluisterkampagne. “Zaterdag twee uur. Suikerrui. ’t Zal feest zijn!” Honderden gaven aan de oproep gehoor en alhoewel ik vrij snel aangehouden werd voordat het spel op de wagen zat (ik was toen al berucht) slaagde het opzet volledig. Met zestien man werden we aangehouden en opgesloten onder de pui van het stadhuis. De kaarten werden voor de voeten van de koningen gesmeten terwijl het gefluit en gejouw de Brabançonne van de militaire kapel overstemde. De pers was woedend. Weken daarna volgde het gerecht. We werden vervolgd voor straatbevuiling, wegwerpen van papier op de openbare weg en het betalen van een boete veroordeeld. Hoofdzaak was dat Brussel het gehoord had.
Kunt u ons een anekdote vertellen over uw ervaringen met Franstalige leveranciers?
In 1925 trouwde ik en begon voor eigen rekening te werken zodat men mij dan niet meer kon doorsturen omwille van mijn Vlaams-nationaal optreden. De week daarvoor was ik afgedankt. Mijn huwelijk was echter vastgelegd en mijn toekomstige schoonouders vonden het maar het beste alles gewoon door te laten gaan. Wij moesten eerst dan maar bij hen inwonen en intussen sparen en de zaak opbouwen. Gespaard heb ik wel. Veertien dagen vooraleer de Vlaamse Schelde Bank, zoals zovele andere banken toen, over de kop ging, had ik het spaargeld dat ik verdiend had door na mijn uren garnierwerk uit te voeren, van de rekening gehaald. Ik had weeral een goede neus gehad. Ik stak mijn geld dan in een nieuw vloerbedekkingsartikel en stapelde het op in de kelder van mijn verloofde. Dat was wel een slecht moment om voor eigen rekening te beginnen maar ik had niet te klagen. Een jaar later huurden we een winkelhuis op Hardervoort [straatnaam, eig. Hardenvoort] op de dam [wijk in het noorden van Antwerpen]. Ik had in de loop van het jaar al veel strubbelingen gehad met groothandelaars die mij tweetalige bestelkaarten (U.P.L.) waarop ik het Frans doorstreepte of Franse folders in mijn handen stopten. Op de duur kende men mij en lette men wel op. Nu werd het anders. Ik had nu een winkel en kreeg de reizigers op bezoek. Walen, Brusselaars of verbasterde Vlamingen stapten met hun valiezen binnen met een air alsof we blij mochten zijn dat ze aandacht aan ons schonken. “Bonjour, monsieur, je suis le représentant de la maison…”. Verder geraakten ze niet. “Kunt ge geen Nederlands, eruit!” Men stoorde er zich niet aan en begon uit te pakken. “Laat die koffer maar dicht!” Ik hielp een handje door ze zelf terug dicht te duwen en smeet het reizerke gewoon, desnoods met enig geweld, buiten.
Nog een andere anekdote?
De reiziger van Löbel en Co had ik op een morgen nogal brutaal aan de deur gezet en ’s namiddags kwam van dezelfde firma een andere persoon, een Gentenaar, op bezoek. “Ik ben Vlaming” was zijn begroeting. Hij was zeer blij dat zijn maat was buitengezet want hijzelf moest in Wallonië werken. Nu hoopte hij in Vlaanderen ingezet te worden zodat hij zijn avonden thuis kon doorbrengen. Ik deed de bestelling en verwittigde hem: “Een Vlaamse rekening!” “Da’s zeker”, zei hij en schreef op zijn bestelling “En Flamand”. De rekening voor de koopwaar kwam, maar in het Frans. Een dik potlood en “Geen Vlaams, geen centen” erop en alles terug aan afzender. De rekening kwam terug met een scheldbrief. Daarin stond dat ik geen opvoeding had omdat ik de rekening besmeurd had, en wie zou de takszegels betalen? Ik stuurde een ongefrankeerde brief terug met de vermelding dat ik mij geen lessen liet geven door verbasterde zotten en dat ik de koopwaar zou weigeren. De volgende dag stopte er een grote slee voor de deur, iets buitengewoons voor die tijd. De bezoeker stelde zich voor als de heer Lobel en voor zover ik zijn brabbeltaaltje verstond, uitte hij zijn verwondering dat ik de koopwaar had geweigerd. Ik liet hem de brief lezen en hij was zeer verbolgen en kloeg dat hij als Zwitser van de toestanden in België niet op de hoogte was. Zijn personeel kende geen Nederlands. Hij nam de takszegels voor zijn rekening en vroeg mij de rekening te aanvaarden en hem een bediende te bezorgen. Ik ging akkoord, trok mijn jas aan en hij bood aan mij met zijn wagen te brengen waar ik heen wou. Ik zei “Brussel” en hij antwoordde “Stap in!”
In Brussel, in het Vlaams Huis op de Grote Markt, zou ik kandidaten genoeg vinden. Ik nodigde Löbel mee binnen en bestelde met zijn akkoord een aktivist [een bier] en een Bormssigaar. Ik riep de lokaalhouder Dereze en vroeg of hij een mannetje had. Hij holde de straat op en kwam kort daarna met een geschikte man terug. Löbel, en onze maat, die die dag gebroodroofd was, geraakten het spoedig eens. Toen ik een paar maanden later de magazijnen van Löbel bezocht, waren de verkopers allemaal Nederlandssprekenden. Toen ik naar bovengenoemde kameraad vroeg en mijn eigen naam noemde, werd ik hartelijk door hem in zijn hoofdkantoor ontvangen. Hij had de vrije hand gekregen en de Noordnederlandse markt voor de firma veroverd en alle Vlaamsonkundigen door Vlamingen vervangen. Jongens, wat een feest voor hem en voor mij! In de [Antwerpse] Ommeganckstraat bij U.P.L. maakte men scherpe nijdige opmerkingen en smeet men het Frans doorstreepte kaartje naar mijn kop. De gang zat vol wachtende behangers. Geen komplimenten! ‘k Gaf de bediende klop op zijn franskiljonse tronie zodat hij achterover op de grond tuimelde onder groot protest van zijn kollega’s. De baas, van Dessel, kwam erbij te pas. Ik liet het de bediende zelf uitleggen. “Klant is koning bij van Dessel. Haal uw maandloon en ge kunt gaan.” In de [Antwerpse] van Breestraat [eig. van Bréestraat] bij van der Borcht kenden ze ook geen manieren. Tits en zijn personeel hadden de rotte gewoonte Frans onder elkaar te spreken. Ik maakte ze uit voor onbeschofterikken [sic]. “Allé, Mr. Van Hoogten, waarom?” “Omdat ge een taal spreekt die ik niet versta en ik de indruk heb dat ge dingen zegt die niet voor mijn oren bestemd zijn.” Ze leerden het en als ik mijn kop vertoonde, schakelden ze onmiddellijk over op Nederlands. Dat niet alleen. Tits – was het kruiperigheid? zeker geen Vlaamsgezindheid –, maar hij fluisterde dat ik in Brussel goede zaken kon doen met einde serieartikelen, die meer dan de helft afgeprijsd waren. Ik was de eerste die het wist, beweerde hij. Ik liet het niet koud worden en ging naar Brussel. Aan de Muntschouwburg, had men mij gezegd. Op het plein een agent. “De Ridderstraat a.u.b.” “Ridderstroet”, denkt een rimpel op zijn hoofd en wijst, na zijn boekje geraadpleegd te hebben, richting Vilvoorde. Ik weet dat het verkeerd is, maar ga waarheen hij wijst. Twintig minuten later sta ik terug bij de agent en zeg dat hij mij verkeerd heeft gewezen. Terug nadenken, z’n boekje. “Joe, ksa peize dat het doar is.” “Huis van der Borcht”, vroeg ik. “O, is dat de Ridderstroet?” en hij wees de goede weg. Van der Borcht was één van de grootste magazijnen voor groot- en kleinhandel. Verkopers en verkoopsters gestoken ik groot gala, daar was ik maar een schooier tegen in mijn doordeweekse pak. De liftman bracht mij in de zaal “meublement”, daar stond ik tussen de verkoopstands en men bekeek mij als ongewenst. Een verkoopster kwam naar me en vroeg in het Frans wat ik kwam doen. Op mijn vraag of ze geen Nederlands kende, liet ze me staan en ging wat fluisteren bij haar kollega’s. Ik stond daar maar en kwam onder stoom. Hardop zei ik: “Dat neem ik niet!” en riep: “Wat zijn dat voor toestanden!” Grote hilariteit. Zoiets had men nog nooit meegemaakt. Een chef kwam erbij te pas: “Calmez-vous, monsieur”. Ik ontplofte bijna en brulde hem toe: “Gij kent ook al geen Nederlands zeker?”. Die liet mij ook staan, na “Un instant” gemompeld te hebben. Hij kwam daarop terug met een inpakker uit de kelder die als tolk optrad. Wat mijn wensen waren, of ik klant was en wat mijn nummer dan wel was. Men zag het na en het werd blijkbaar allemaal goed bevonden want ik mocht hem volgen naar de stand van de meubelstoffen. De verkoper kende geen gebenedijd woord Nederlands. Ik wilde hem niet en verlangde dat de tolk mij bediende en de kommissie kreeg. De baas ging akkoord. Onze man, de inpakker, was zeer verlegen en bang domheden te doen. Ik stelde hem gerust, hielp hem op weg en ik kocht mij in nesten door teveel te bestellen. De Ridder was de naam van de man en hij kwam uit Aalst. Ik zei dat ik in de toekomst door hem wilde bediend worden. “Vertalen!”, zei ik hem. Aarzelend maakte hij het over. “Beloofd”, antwoordde de Franse knul.
Hoe is het dan afgelopen?
Terug in Antwerpen vroeg ik aan alle behangers om bij van der Borcht uitsluitend naar mijnheer de Ridder te vragen om in het Nederlands bediend te worden. Een maand later; dit keer met mijn beste pak aan, kwam ik er terug. Ik liet mijn hoofd nog niet helemaal zien of men riep: “Monsieur de Riddèèr! Monsieur de Riddèèr!”. Waarschijnlijk waren ze bang dat ik weer de boel op stelten zou zetten. De Ridder stond ook in zwarte jas en toonde fier de achterzijde van zijn kraag waar een leeuwespeldje stak. Hij zei dat hij voor de hele zaal verantwoordelijk was als iemand in het Nederlands een verkoper aansprak. Hij verdiende het hoogste kommissieloon. Op het einde van het jaar kreeg ik een prachtkalender van het huis maar met pijn in het hart stuurde ik hem terug met het verzoek mij een Nederlandse te sturen. Ik kreeg een verontschuldiging met de belofte dat ik het volgende jaar een tweetalige kalender zou krijgen. In de maand juli van het volgende jaar schreef ik een aangetekende brief aan hen om ze te herinneren aan hun belofte. U kan me geloven of niet maar de agenda die ik daarna kreeg was ééntalig en in het mooiste Nederlands gesteld. En zo is het gebleven tot van der Borcht voor enkele jaren zijn deuren sloot.
Nog eentje! In de [Antwerpse] van Luppenstraat was het huis Gigot gevestigd dat tapijten en vloerbekleding verkocht. De man was een Waal maar zijn rekeningen waren in het Nederlands gesteld en hij verkocht prima waar. Toen dr. Borms van het A.V.N.J. (25) een tapijt ten geschenke kreeg, mocht hij zelf kiezen en we bezochten samen het magazijn. Toen ik dr. Borms aan de magazijnier voorstelde, boog deze als een knipmes en gedienstig alsof het de koning betrof, leidde hij ons het magazijn rond. Dr. Borms koos een tapijt en werden met veel plichtplegingen buitengelaten. Veertien dagen later kreeg ik een brief van Gigot waarin hij mij schreef dat hij vernomen had dat “Herr Borms” zijn winkel bezocht had en dat in het vervolg van dergelijk bezoek wenste verschoond te blijven. De winst op het tapijt zou hij in de kas storten van de weduwen van de oorlogsslachtoffers waaraan Borms schuld had. Ik moest mijn vrienden maar op de hoogte brengen, zo schreef hij nog. Ik schreef een vlammende brief terug en liet hem weten dat ik, aangezien mijn vrienden over gans Vlaanderen verspreid waren ik van de pers gebruik zou maken om aan zijn wens te voldoen. Dat gebeurde dan ook en het bericht verscheen in het dagblad De Schelde. Naar aanleiding van het verschijnen van de twee brieven in het blad kreeg ik het bezoek van een zekere heer Karels. Deze vroeg mij of ik de heer Gigot kende. Karels kende hem des te beter. Het bleek dat onze grote patriot tijdens de Eerste Wereldoorlog lekker gewoekerd had en met de Duitsers goede zaken had gedaan. Ik kreeg van de heer Karels alle gegevens op papier, en hij beloofde desnoods voor het gerecht te komen getuigen. Ik zou dus mijn aanval verderzetten met alle risiko’s vandien. Alle beschuldigingen verschenen in het dagblad De Schelde dat de vraag stelde: “Is het omdat de heer Gigot zijn kandidatuur voor de Amitié Française heeft gesteld dat hij de grote patriot en Vlamingenvreter wil schijnen?” Het bleef niet zonder gevolgen. Gigot werd in Franse middens ongewenst en van de chauffeur vernam ik dat deze laatste een hele week papieren had moeten verbranden. De reiziger liet langs mijn schoonvader om vragen of ik wou ophouden met die kampagne want hij vloog bij een groot gedeelte van de behangers buiten. Wie aan Borms raakt, raakt aan mij, was mijn antwoord en zo is het gebleven.
Zo kan ik wel tot morgen doorgaan maar het voorgaande bewijst al genoeg. Indien de Vlamingen wat minder kruiperig de Nederlandsonkundigen tegemoet waren gekomen, zouden zij zich minder belachelijk gemaakt hebben door met gebrekkig en slecht gesproken Frans de domkoppen te helpen. Waar fierheid ontbreekt, staat kruipen het best!
Ik had in de meeste verenigingen mijn ontslag gegeven om mijn zaak op te bouwen. Alleen van de toneelgroep Morgenstond te Berchem en Wacht Antwerpen-Noord bleef ik lid. De voorzitter van de Frontpartij verwittigde mij. “Reken nooit op kliënteel uit de partij, als ge teleurstellingen wilt vermijden!”. Ik wist het, want mijn bestuursleden gaven het slechte voorbeeld. In 1930 bij mijn opsluiting voor een maand en acht dagen, dit na rellen met La Légion Nationale (26) en wegens het afnemen van hun vlag, schreef de Gazet van Antwerpen: “Behanger aangehouden wegens diefstal”.
Heeft de krisis uw handel aangetast?
De krisis deed zich gevoelen, velen waren reeds lang over de kop gegaan. Ik hield het vol tot 1933, toen verkochten wij uit en begin ik met Jan S. een groothandelszaak in tabak. Roken doet men altijd, redeneerden wij. In 1935 was Schr. met mijn centen foetsie, en ook met de kas van onze V.N.V.-afdeling. Hierdoor werd mij vervolging door schuldeisers bespaard omdat Schr. wegens dreigementen van de V.N.V.-leiding alle schuld op zich nam. Wat ook zo was.
Toen namen we de herberg “Gebroken hoek” over en maakten er het Delta-lokaal (27) van. Een gelegenheid om van daaruit een sterke propaganda te voeren. Geloof me, stilzitten deden wij niet.
Hoe bent u bij de Vlaamse wachten terecht gekomen?
Toen ik voor eigen rekening begon was ik reeds lid van de Wacht Antwerpen-Noord, aan het Sint-Jansplein. Voorzitter was Marcel Mannaerts. Er was meer gezelligheid dan strijd en door de wekelijkse vergaderingen kon ik er eens tussen uit. Ik vertoefde dan tussen eigen mensen die het Vlaams-zijn echt beleefden zoals ikzelf. Een elektrische piano nodigde tot en dansje terwijl Pol Vervoorten – Pol Keikop – en ik het bakspel speelden. Ik vond de naam “Vlaamse Wacht” nogal vergezocht. Toen op de Paardenmarkt een restaurant werd geopend met de Franse naam “Roi Albert” trok ik er met Pol op uit en wierp de lichtbak aan diggelen. Van dan af maakten Pol en ik iedere week een tochtje door de stad, en wij deden menige Franstalige lichtreklame sneuvelen. Dan lieten wij een briefje achter in de bus met het verzoek de lichtreklame door een Nederlandse te vervangen. Deze aktie gaf aan de vergaderingen van de Wacht tenminste zin. Dat bleef zo tot in 1928 toen bij het vijfjarig bestaan van de Wacht een tweedaags kongres zou plaatsvinden van over het ganse Vlaamse land verspreide Vlaams-nationale wachten. Dit jeugdkongres werd door velen bijgewoond en later druk besproken. Toen in de laatste uren de vraag rees: wat nu? werd er door de meeste afgevaardigden voorgesteld een vereniging van Vlaamse Wachten op te richten. Men drong er op aan dat ik dat op mij zou nemen, maar door mijn zaak kon dat niet. Men bleef aandringen en ja, het moest toch van de grond komen. De partij is toch heel Vlaanderen niet! Ik aanvaardde de tijdelijke leiding om een jeugdbeweging uit te bouwen. Iemand moest het toch doen. Met Denijs Pourqie als sekretaris legde ik de eerste grondregels van het Vlaams-nationaal Jeugdverbond vast. Buiten alle partijpolitiek, Grootnederlands, radikaal revolutionair, anti-Belgisch. Er was een weerstandskas voor boeten en gerechtskosten, kulturele aktie, een sprekersschool (Pol van Even), Vlaams verweer stokles (van Gastel), blad Jong Nederland. Toen er studie- en studentenkringen aansloten werd het Algemeen Vlaamsch Nationaal Jeugdverbond (A.V.N.J.) opgericht. De standregels en memorie van toelichting werden opgesteld. Aan het verbond werd diepte, zin en doel gegeven. Van dan af werden de “Wachters” opgeroepen voor gebundelde aktie en optreden. De flat en stok werden het bind- en klopmiddel. Niet lullen, niet praten! Daden!, was het parool en van dan af drukte het verbond zijn stempel op iedere betoging. Het Frans werd op de straatnaamborden regelmatig overschilderd en de kampagne tegen al wat Frans was brak los. Opdrachten werden gegeven voor de amnestieaktie, een aktie die nu heviger naar buiten trad. Ons geduld was op. Meer dan ooit werd van de Frontpartij geëist dr. Borms als kandidaat voor te stellen bij de volgende verkiezingen. Dit werd geestdriftig gesteund door aktivisten, waaronder dr. Jacob (28) die zelf bijna tien jaar in de kerker doorgebracht had.
U was de leider van het Vlaamsch Verweer? Hoe kwam die tot stand? Was dat de eerste militie?
Militie? Neen, zo kan ik het niet noemen. Het was meer het bundelen van potige kerels die als groep daadwerkelijk konden ingezet worden. Alleen waren zij machteloos. Zij stonden los van hun kring en onder rechtstreeks bevel van de A.V.N.J.-leiding. Het was het beste middel om de eendracht te verstevigen en te bevorderen. Zij werden vooreerst opgeleid om tuchtvol te gehoorzamen en bevelen uit te voeren.
De flat en de stok waren het algemeen kenteken. Het Verweer had naast het oranje-wit-blauw een geel-zwart lintje als kenteken. Geleidelijk zuiverden de rangen zicht, de angstigen van de moedigen, de kampers van de roepers en de grote bekken. Het aantal was nooit groot, maar het gehalte was des te beter. Niet zuiver in dienst en optreden of tegendraads: eruit! Karaktervorming, waardigheid, sterk bewustzijn, waren de kenmerken van de echte Verweer-man. Daarnaast was er de eigen kringwerking, gezamenlijk optreden bij betogingen en uitgebreide akties.
De eerste aktie was het overschilderen van het Frans op de straatnaamborden. De eerste nacht verzamelden wij in de kelder van het Vlaams Huis in de Lange Vlierstraat, bij het pinkelende licht van een kaars. Per drie, een man voorop die links of rechts wees waar er te schilderen viel. De twee anderen volgden op afstand met verfpot, scheepsborstel en verlengstok. De schilder sopte zijn borstel in de verf, begaf zich naar de aangewezen plaats en, veeg… het was gebeurd. Het kon niet vlugger. Klokslag twee: stop. Wie overdrijft trapt er altijd in.
Pol Keikop moest voor de verf zorgen, maar had het vergeten. Dus werden alle restjes verf in de kelder bijeengedaan. Wij kregen een allegaartje dat als kleur geen naam had. Maar de woedende R.I.P. (29) van de blauwe De Nieuwe Gazet wist het wel: “De stronters hebben hun kleur op de straatborden geschilderd.[”] De Schelde, ons blad, schreef: “Vandalen aan ’t werk”, om ons te kompromitteren. Het was weer niet opportuun voor de partij!
Nog zo’n verhaal?
Minister Janson (30) was de man van “Amnestie jamais! jamais!” Die man kwam als spreker op bezoek naar Antwerpen in de Cercle Artistique, nu Arenbergschouwburg. Men vreesde voor relletjes en men kwam er zonder uitnodiging niet in. Ik kreeg als één der eersten een uitnodiging te pakken en drukker Schoepen uit de Prinsesstraat zorgde voor een afdruk, netjes afgestempeld. Tiptop in orde. Ordewoord: “19u20 Arenbergstraat, aktie.” Niemand weet wat er te doen valt. Ik ben op post, geef hen een kaart en verzoek hen zich in de zaal te verspreiden. Op mijn roep “Amnestie” mogen ze brullen zoveel als het hun lust. En honderdtal kaarten heb ik reeds uitgedeeld en het is tijd om de mannen te vervoegen. Niemand had het ordewoord opgevolgd. Drie rijen over de volle breedte van de zaal hadden ze ingenomen. Ik zet mij twee rijen verder en wacht af. Er heerst spanning in de zaal, men verwacht herrie. De stilte beklemt mij. De “Jeunesse Liberale” loert maar rond naar wat zij voelen maar niet kennen. Trouwens, er waren toch uitnodigingskaarten vereist. Dan is het zover. Het komitee betreedt het podium met de Vlamingenhater in hun midden. Met veel plichtplegingen neemt men plaats. Het duurt wel wat. De voorzitter heet de minister welkom en “Het is voor hen een grote eer” zegt hij, en verleent hem het woord. Drukkend stil is het, m’n hart bonst in m’n borst. Het lijkt wel zelfmoord tussen die Franssprekende Vlamingenhaters te vertoeven. “Mesdames et Messieurs”. “Amnestie!” een gil als van een stoomfluit weerklinkt en de hel breekt los terwijl de heer naast mij verwonderd zegt: “Mais monsieur…” “Amnestie! Leve Borms! Weg met België! Leve Vlaanderen!” is het antwoord.
Het podium vlucht leeg. Ik krijg de blauwe Jeunesse op m’n nek en trek mij terug tussen de rijen. Beneden gaat de grote spiegeldeur aan diggelen. Op straat komt er versterking van de politie uit de Everdijstraat. Een kort treffen; de sabels vliegen over de keien. De dag is goed geweest. Brussel had ons gehoord.
Ward Hermans (31) roept ons naar een verboden betoging in Onze-Lieve-Vrouw-Waver. Hier is het de rijkswacht waar we mee te doen krijgen. We zijn op post, botsingen blijven niet uit. Om erger te vermijden gaat het in Walem door met toestemming van de burgemeester. Wij nemen het niet. Ik roep de mannen op, zet ze voor ’t eerst in het gelid en geef het bevel om terug te gaan. De ene zijde van de baan is Onze-Lieve-Vrouw-Waver, de andere zijde Walem. De kommandant van de rijkswacht beveelt ons te zwijgen terwijl we tuchtvol naar het einde stappen waar we op verboden terrein moeten komen. Ik ben er niets gerust in maar eer het zover is, roept de kommandant dat als we niet meer zingen; we tot aan het in te huldigen Vlaams Huis mogen marcheren. Ik kreeg driemaal een proces-verbaal wegens samenscholing, werd op het eind aangehouden en maanden daarna samen met nog twintig kameraden te Duffel voor het gerecht gebracht.
Tot de herfst van het jaar 1928 had ik het zeer druk, geen enkele zondag vrij, altijd op pad naar de een of andere afdeling om meningsverschillen op te lossen, toelichtingen te geven, te organiseren, enz. Altijd op tocht van de kust tot het verre Limburg zonder vergoeding, op eigen kosten en met veel kopzorgen en verantwoordelijkheid. Maar er waaide een frisse wind over Vlaanderen. Geen minderwaardigheid meer, omver en erover, “Amnestie!”, “Borms vrij of…!” waren de leuzen.
Onder welke omstandigheden hebt u August Borms leren kennen?
Ik had van Borms een glimp opgevangen op een van de debatavonden in de Thalia in 1918. Ik was onder de indruk gekomen van zijn geweldige stem en van het geloof dat van hem uitging. Maar de houding in de gevangenis en de fierheid van deze man maakten op mij een onuitwisbare indruk en ik volgde alles wat over hem geschreven werd. In gezelschap, op de verbroederingsdagen in Nederland, Borms kwam steeds over de lippen. Zijn gevangenschap was een prikkel om iets te ondernemen en om het onmenselijke België te haten. Bij iedere verkiezing schoven wij Borms naar voren en botsten steeds op tegenstand van van Puymbroeck (32) of Herman Vos (33). De lijst zou kunnen afgekeurd worden! Mij een zorg maar Vos zat liefst in het parlement. Toen kwam de tussentijdse verkiezing in 1928 en werd het A.V.N.J. ingezet. De uitslag was buiten alle verwachtingen. De heer Boumans (financiën Vlaams Front) wenste ons proficiat en gaf toe dat de opofferende propaganda en de inzet van de jeugd het meest tot dat resultaat hadden bijgedragen. Het bewees wat eendracht vermag.
Bij de vrijlating van dr. Borms wachtte ons de taak hem te beschermen. Het Vlaamsch Verweer was het best hiervoor aangewezen. Ik was meer dan eens met dr. Borms op tocht, want het gevaar was niet denkbeeldig dat Borms door zijn onverschilligheid zou gewond raken. Kapellen, Mechelen, Schoten – waar Pol Keikop werd aangehouden wegens verboden wapendracht –, Boechout en de slag van Edegem, waar we met vijftien man de Légion opwachtten en de officieren van het Fort met bebloede hoofden in de gracht achterlieten, zijn enkele voorbeelden. Zij hadden Borms op de loop gejaagd, zegden zij. Slecht bekwam het hen. De Légion bleef daarna uit het Antwerpse. Het eigenaardige was dat honderden Vlamingen bluften dat ze erbij geweest waren. Dat had het voordeel dat de Veiligheid anderen dan de schuldigen in de gaten hield. Borms was de liefste mens die ik ooit gekend heb. Het grootste plezier dat wij hem deden was, toen we in de nacht van 1929 op 1930, ter gelegenheid van honderd jaar Belgique, het Frans op de straatnaamborden wegschilderden. Hij is de eerste januari door de stad gaan wandelen en eindigde bij mij in de winkel. Hij glunderde: “Makker Jan, een mooie inzet voor het jaar ’30!” En ik beloofde dat we het die rotstaat in ’30 lastig zouden maken. En of!
Staf de Clercq zult u ook wel gekend hebben?
Staf leerde ik zeer vroeg na de oorlog [de Eerste Wereldoorlog] kennen, op de landdag te Kester. Hij was een bonkige buitenkerel, blozend als een bellefleur, met plaatselijke klanken in zijn stem. Hij boezemde mij van het begin af vertrouwen in en gaf mij de indruk dat hij het met zijn volk goed meende. Dit ondanks het feit dat hij aan partijpolitiek deed. Ik kwam met hem het meest in aanraking bij de voorbereiding en de gesprekken rond de pogingen om eendracht onder de Vlamingen te brengen binnen het V.N.V. Vanaf het begin was het A.V.N.J. erbij. Toen een gedeelte in Vlaanderen wou opmarcheren onder de leiding van Staf de Clercq, ging het [oorspronkelijke] A.V.N.J. over tot de ontbinding. Het A.V.N.J. kwam onder leiding van dr. Gravez (34) en later van dr. Lehembre (35) te staan. Het [Vlaamsch] Verweer werd [in 1936] de Grijze Brigade onder leiding van Herman van Ooteghem (36) en te Antwerpen onder Miel d’Hondt. In 1933 was ik door de krisis verplicht om mijn volle aandacht aan mijn zaak te schenken. Alleen de eerste maanden heb ik Staf de Clercq begeleid met enkele getrouwen, om hem te beschermen in het Antwerpse. Ik heb het met mijn behangerszaak tot 1934 uitgehouden. Ik heb toen uitverkocht en ben in de tabak begonnen.
Wat was de Grijze Brigade?
De Grijze Brigade was de voorzetting van het Verweer, gewoon een naamsverandering. Ze is Werfbrigade, Propagandabrigade en uiteindelijk zwarte Brigade genoemd. Ik was intussen uitgerangeerd, ik deed te geweldig. Met het V.N.V. veranderden ook de uniformen en werden petten ingevoerd. Het grijze hemd met zwarte spiegels en grijze broek werd behouden. Ik bleef, op aandringen van Lehembre, aan de staf verbonden, en had het meest de leiding op de landdagen en op de IJzerbedevaart. Ik was er te Edingen ook bij en werd opgesloten te Bergen samen met andere kameraden. Onder mijn leiding werd in de [Antwerpse Lange] Beeldekensstraat, toen we door honderden anti’s werden aangevallen, met scherp geschoten, wat zeer slecht bij de leiding overkwam. Na het bezetten van het Rubenspaleis in de [Antwerpse] Carnotstraat, door de rode vakbond, werd ik door Staf de Clercq gevraagd de leiding op mij te nemen van de organisatie van een vergadering die een paar maanden later in de zaal Gruter aan de Mechelsesteenweg zou doorgaan. Men wou geen tweede keer de kans lopen dat de roden op voorhand de zaal zouden bezetten. Het eindigde met een botsing te Berchem – wij waren de politie aan de grens met Antwerpen kwijtgeraakt – waar we vrij spel hadden. We maakten er korte metten mee en met die tegenstanders hebben we daarna geen last meer gehad.
In mei ’40 werd u aangehouden en opgesloten?
Daar was wel wat aan voorafgegaan. Te Berchem waren de Vlaams-nationalisten mee in het schepenkollege. Ik had door het samenbrengen van katholieken, Rex-Vlaanderen en het V.N.V. een koncentratie voorbereid en tot stand gebracht. We hadden hierdoor de meerderheid behaald. Ik had sinds 1930 geen burgerrechten meer omdat ik de Légion Nationale afgetroefd had en hun vlag had afgepakt. Ik had daarvoor een maand en acht dagen gekregen en was van mijn burgerrechten beroofd. Men moest mij dus als kandidaat niet vrezen. Hierdoor had ik in de gemeente wel wat aanzien gekregen wat ik vroeger nooit gekend had. Integendeel. Ik was op verzoek van dat schepenkollege bij de luchtbescherming en werd als kommissaris van de ordedienst aan de provincie voorgesteld. Groot was hun ontsteltenis toen ze van de gouverneur bericht kregen dat ik wegens diefstal – die vlag – was veroordeeld. De gemeente loste het op door me een andere taak te geven. Wie in de luchtbescherming was, moest geen legerdienst doen, dus ik was gerust. Dacht ik! In september 1939 werd ik toch opgeroepen. Ik toonde mijn aanstellingsbrief die men echter als een gewoon vodje papier in stukken scheurde. Ik was al drie dagen over tijd. Men zou mij wel vinden. Toen men mij een voertuig wou laten besturen, zei ik dat ik niet rijden kon en het niet op mijn verantwoordelijkheid wou nemen zonder schriftelijk bevel. Ik maakte mij nuttig door de zaal te reinigen, asbakken te ledigen, hout te hakken enz. Ik liep acht dagen cachot op en kreeg uiteindelijk m’n ontslag in maart 1940.
De 10de mei meldde ik mij bij de luchtbescherming. Ik zou thuis wachten tot men me riep. Men riep me, recht naar de Begijnenstraat. Toen ik in het centrum stond, ‘bakkes tegen de muur’, bracht men dr. Borms binnen. Een [van] de bewakers schoot op Borms af. “Ze zijn er weer uw vrienden, ze zijn er weer!”. Dr. Borms antwoordde vriendelijk: “Verdrag van Versailles, vriend, verdrag van Versailles”, en de bewaker droop af. Ik werd op het verdiep waar opstandige soldaten opgesloten waren in strenge afzondering gestopt. Ik heb daar het opjagen van de politieke gevangenen door het geraas en getier van de rijkswacht beleefd. Ze leken wel gek en bezeten.
De morgen toen de gevangen soldaten onder hetzelfde gebulder op transfert werden gezet, werd ik met nog drie andere gevangenen waaronder René Bollaerts naar de griffie gebracht. “Laat uw zaken maar liggen, ge hebt die niet meer nodig” zei de bewaker. Ik lette daar niet op. Pas later drong het tot mij door wat hij bedoelde. Op de griffie weigerde de beambte te tekenen. “Als de prokureur geen verantwoordelijkheid durft te nemen, waarom zou ik het dan doen.” – “Wij ook niet,” zegden de rijkswachters, “sluit die mannen terug op.” ’s Namiddags zegde de onderwijzer die de boeken ophaalde: “Troost u jongen, de Duitsers zijn reeds in Brasschaat”. Verrek! Nu moest ik nog blij zijn ook dat de Duitsers vlug oprukten.
Een maand later vernam ik dat wij met z’n vieren in ‘Den Tier’ (37) op het Kiel hadden moeten gefusilleerd worden. Doodstraf te velde wegens dienstweigering en desertie.
Hoe maakte u de bezetting door?
Het duurde wel een tijdje eer ik van de emotie van mijn opsluiting bijgekomen was. De kameraden drongen erop aan om de Belgische behandeling niet zomaar voorbij te laten gaan en ik besloot het standbeeld van Carnot op het Laar te Borgerhout omver te halen. Die Franse moordenaar die de kerk wel spaarde maar een groot gedeelte van Borgerhout platbrandde, stond al lang in mijn weg. Toen alles in gereedheid was gebracht, werd het door tegenwerking van enige mensen afgelast. Ik kreeg dezelfde dag bezoek van een Duits officier die mij aanmaande ermee op te houden anders zou ik last krijgen. “Het moet rustig zijn”, zegde hij. Een uur daarna een andere die het tegenovergestelde verklaarde: “Ach, als men u opsluit halen wij u er onmiddellijk terug uit.” Hierdoor werd ik voor de duur van de oorlog genoeg wantrouwig en dacht: “Dat ze allemaal stikken.” Ik had al zorgen genoeg om aan de kost te komen. Toen mijn bankrekening bijna in het rood stond, ging ik bij de O.T. (38) en werd te Antwerpen ingezet als ‘Betreuer’. In september ‘44 gaf men mij de raad uit te wijken. M’n kop stond op het spel, zegden ze. Toen ben ik naar Duitsland vertrokken en ben in mei ’45 teruggekeerd. Kort daarop werd ik aangehouden, in 1946 tot levenslang veroordeeld en pas in juni 1951 vrijgelaten. Mijn gevangenschap was allesbehalve een sinekuur. Ik zal daar zelf wel de schuld van geweest zijn. Ik heb de meeste tijd in de cel gezeten. Ik ben in het Pandreitje in Brugge terecht gekomen. Van daar werden we door ministeriële tussenkomst met zijn allen naar Merksplas overgebracht, daar vrijgelaten en onder streng staatstoezicht geplaatst. Op 11 juli wapperde een geleende leeuwevlag aan de gevel en ik lapte alle voorschriften aan mijn laars. Ik stak voor niemand weg dat ik door de repressie vastgezeten had. Zo wisten ze meteen wie ze voor zich hadden. Als afweermiddel zeer aan te raden!
Wat deed u na uw vrijlating?
Er wachtte mij een zware tijd, ik bezat niets en ik moest herbeginnen. Ik zou als zelfstandige trachten aan de kost te komen. Toen ik in het Hotel Toerist tapijten aan het plaatsen was vroeg de direktie me of ik als werknemer bij hen wou werken. Ik aanvaardde maar ik zat daar in een Frans geval en botsingen bleven niet uit. Maar uiteindelijk wonnen we het pleit. Aan de receptie en onder elkaar sprak men na een jaar over het algemeen Nederlands en ik voelde me er thuis.
In 1965 richtte ik met enkele vrienden het Verbond van Vlaamse Gepensioneerden [het huidige VVVG] op en werd er voorzitter van. Ik bouwde het Verbond uit tot een sterke vereniging maar ik nam na enkele jaren ontslag wegens een meningsverschil. Ik voelde mij trouwens niet oud genoeg. Toen de Vriendenkring [eigenlijk ‘Onze Vriendenkring’] – nu Broederband – werd opgericht was ik erbij. Nu verzorg ik reeds jaren de verzending van het blad. Over het B.D.A.C. en het Bormshuis verwijs ik naar wat ik reeds eerder zei.
Ik ben soms zelf verbaasd dat ik op mijn ouderdom zulke zware taak nog aan kan. “Willen is kunnen”, is een spreuk van de havenarbeiders die ik steeds toepaste.
Dat dit bewogen leven voor mij maar ook voor mijn omgeving niet altijd op rozen liep, kunt u zich wel voorstellen. Mijn naasten hebben menigmaal water in hun wijn moeten doen en een engelengeduld aan de dag moeten leggen. Daar ben ik mij ten zeerste van bewust. Ik ben de voorzienigheid dankbaar dat ik een hechte band met mijn gezin en familie heb kunnen bewaren, want ik was een harde, een doordrijver en daar is men niet altijd gelukkig mee geweest. Nog 3 jaar, dan zijn we 60 jaar gehuwd en word ik 85. Ik hoop dat er dan een andere is om mijn taak over te nemen. Er is nog zoveel dat niet gezegd werd: de Belgische dag van Hasselt; de Fraternellendag te Antwerpen; de onderduimse rol van Bert Meuris (39), Bonten (40) en Missoorten (41) om tijdens mijn gevangenschap in 1930 een nieuw jeugdverbond te stichten…
Toegevoegde verklarende voetnoten:
(1) Clemens de Landsheer, eigenlijk de Landtsheer
(1894-1984), van 1924 tot 1960 secretaris van de vzw ‘Bedevaart naar de Graven
van de IJzer’, de officiële naam van het IJzerbedevaartcomité en tevens in 1929
oprichter van de firma Flandria Film, die onder meer de IJzerbedevaarten op film
opnam. Het unieke filmarchief van Flandria Film, gevestigd bij de Landtsheer in
het secretariaat van het IJzerbedevaartcomité te Kaaskerke (nu deelgemeente van
Diksmuide), ging in mei 1940 grotendeels in de vlammen verloren. Op
http://www.imdb.com/company/co0029691 kan men een overzicht
aantreffen van de door Flandria Film gerealiseerde films.
(terug
naar tekst)
(2) Bormshulde, er zijn diverse Bormshuldes geweest,
mogelijk werd hier de hulde van 11 augustus 1940 te Brussel (na de terugkeer van
August Borms uit een Frans concentratiekamp) of die van 27 juni 1943 (voor zijn
65ste verjaardag) in de Antwerpse Dierentuin bedoeld.
(terug naar tekst)
(3) Fraternellendag, op 26 juni 1932 organiseerde de
franskiljonse Union des Fraternelles de l'Armée de Campagne (UFAC,
Vereniging van de Verbroederingen van het Veldleger, de zgn.
‘fraternellen’, die bestond uit verbroederingen per militaire eenheid) een feest
en een optocht door Antwerpen. Vlaams-nationale tegenmanifestanten, opgeroepen
door het Verbond van Vlaamse Oudstrijders, organiseerden onder leiding van het
Vlaamsch Verweer (d.w.z. van Jan van Hoogten) “een massaal fluitconcert”
en bekogelden de Fraternellenstoet “met duizenden rauwe eieren en met hele
pakjes blauwsel, zodat het een slijlmerig-blauwe bedoening werd”. (PROVOOST,
Guido: De Vossen. 60 jaar Verbond van Vlaamse Oudstrijders, 1979, p. 83)
(terug naar tekst)
(4) het Reisgezelschap De Pallieters, de grootste en meest
actieve vereniging van Vlaams-nationale senioren-repressieslachtoffers te
Antwerpen. Reeds kort na de Tweede Wereldoorlog organiseerden zij de beroemde
Pallieterbals. Eerst in de zaal Het Kruiske op de Melkmarkt, later in de zaal
Burgerkring in de Koningstraat. Op die manier kregen ze heel wat financies
bijeen. Daarmee werden onder meer jaarlijks kerstfeesten voor kinderen van
repressieslachtoffers ingericht. Het lokaal van De Pallieters was gevestigd in
Café Omnibus op de hoek van de Suikerrui en de Grote Pieter Potstraat. Zij
hadden daar een spaarkastje zoals dat destijds gebruikelijk was in cafés. Dr.
Peeters was jarenlang hun voorzitter. Rik Baeckelmans, Verbruggen en Cyriel
Rousseeu (jarenlang de rechterhand van dr. August Borms) waren bestuursleden. De
eerste Bormsherdenkingen na de oorlog werden door De Pallieters gefinancierd.
Gedurende vijftien jaar waren ze zeer actief en steunden ook de
verkiezingspropaganda van de Vlaamse Concentratie en later van de Volksunie.
(terug naar tekst)
(5) Raf van Hulse (1903-1977) was van september 1941 tot
augustus 1942 leider van de Algemeene SS-Vlaanderen, vanaf 1942 Kriegsberichter
aan het Oostfront en in 1944 inspecteur van de Hitlerjeugd Vlaanderen. Na de
vlucht naar Duitsland in 1944 werd hij Landsjeugdleider in de Vlaamsche
Landsleiding, die zich zag als een ‘Vlaamse regering in ballingschap’, opgezet
door de leider van de DeVlag (Duits-Vlaamse Arbeidsgemeenschap), Jef van de
Wiele. Van Hulse werd ter dood veroordeeld maar bekwam gratie en werd in 1952
vrijgelaten. (terug naar tekst)
(6) Guido van der Meersch (1938-), de huidige
verantwoordelijke van het Europacentrum/Bertennest/Ernest van der Hallen
Jeugdgemeenschap te Roesbrugge. (terug naar
tekst)
(7) Tijl, toenmalig Vlaams Huis aan de Bredabaan te Merksem.
(terug naar tekst)
(8) De Schelde, Vlaams-nationaal dagblad van 1916
tot 1936, wanneer het van naam wijzigde in Volk en Staat. Vanaf 1921 werd
het de spreekbuis van Het Vlaamsche Front (ook gekend als Frontpartij), maar
vanaf 1934 werd het geleidelijk aan steeds meer de spreekbuis van het Vlaamsch
Nationaal Verbond, hoewel de redactie een pro-Duitse koers volgde die niet
steeds door de VNV-leiding werd bijgetreden. Aan de onduidelijke situatie kwam
een einde toen het VNV er aan het einde van 1937 in slaagde de volledige
controle in handen te krijgen. (terug naar tekst)
(9) Kreeftstraat, straat in de wijk Zurenborg op de grens
tussen Antwerpen en Berchem. (terug naar tekst)
(10) P. Stevenisheydens, eigenlijk Paul Stevenheydens, een
voormalige soldaat van het Leger des Heils, die enkele jaren in het Bormshuis
woonde en verantwoordelijk was voor het persknipselarchief. Zijn zoon Bruno werd
in 2007 verkozen als federaal volksvertegenwoordiger voor Vlaams Belang in het
Waasland. (terug naar tekst)
(11) Lieve van Onckelen (1951-), de huidige conservator van
het Bormshuis. (terug naar tekst)
(12) De Bonte Mantelstraat verdween in 1969 samen met de
Kanonstraat om plaats te maken voor het in de buurt als “schots-en-scheef”
omschreven Theaterplein voor de huidige Antwerpse Stadsschouwburg waar ook een
deel van de zondagse Vogelmarkt op staat. De straat was genoemd naar een
17de-eeuws godshuis. (terug naar tekst)
(13) Neel Bisschop werd samen met
Filip Bosiers, Gustaaf Herreygers, Benedictus van de Ven en Jef van Diependael
doodgeschoten bij een betoging tijdens een staking voor het algemeen
stemrecht op 18 april 1893 aan “den Boegie” – eigenlijk “den
Bougie” – , de volksnaam voor de kaarsenfabriek
de Roubaix-Oedenkhoven te Borgerhout. De dag na het incident, 19 april
1893, werd het algemeen meervoudig stemrecht goedgekeurd in de Kamer van
Volksvertegenwoordigers. (terug naar tekst)
(14) Germinalle, bedoeld is Germinal,
het bekende boek van Emile Zola (1840-1902) over klassenstrijd en sociale
revolte. (terug naar tekst)
(15) De verborgenheden des volks, van de
Franse socialistische schrijver Eugène Sue (1804-1857), het boek verscheen voor
het eerst in 1849 als Mystères du peuple.
(terug naar tekst)
(16) Wonderland, bedoeld is wellicht
Het wonderjaer 1566 van Hendrik Conscience uit 1843.
(terug naar tekst)
(17) de Mynck, wellicht is de socialist Gust de Muynck
bedoeld, de eerste directeur van de Vlaamse gesproken uitzendingen van de NIR
(voorloper van de huidige VRT) in de jaren 1930. (terug naar
tekst)
(18) “was aan de Siegfriedlijn”, de Engelsen zongen
toen een liedje We’re going hang out the washing on the Siegfriedline,
hiermee zinspelend dat zij hun was zouden gaan ophangen aan de Siegfriedlinie,
de Duitse verdedigingslinie aan de grens met Frankrijk.
(terug naar tekst)
(19) Volksopbeuring, een Vlaamsgezinde caritatieve
organisatie, in 1915-1916 opgezet door Aktivisten als tegengewicht voor het
‘officiële’ Nationaal Hulp- en Voedingscomité dat de voedselbedeling,
voornamelijk uit Amerikaanse import, controleerde en in Belgicistische handen
was. (terug naar tekst)
(20) “tijd na mijn klas moeten dienen”, betekent dat
men na de eigenlijke dienstplicht nog extra dagen moest vervullen omdat de
opgelopen strafdagen niet meetelden voor de legerdienst.
(terug naar tekst)
(21) Minerva was de enige authentieke Belgische
autoconstructeur, opgestart in 1897 als fietsenmakerij, maar die later ook
motorfietsen en vanaf 1901 auto’s op de markt bracht. (terug
naar tekst)
(22) Adelfons Henderikx, eigenlijk Henderickx
(1867-1949), katholiek volksvertegenwoordiger, Aktivist (in augustus 1918,
enkele maanden voor het einde van de oorlog werd hij nog secretaris-generaal van
het ministerie van Justitie), maar geen lid van de Raad van Vlaanderen, na de
Eerste Wereldoorlog veroordeeld tot 10 jaar dwangarbeid, kwam vrij in mei 1921,
waarna hij zich aansloot bij de Frontpartij. In 1929 werd hij voorzitter van de
NV die het dagblad De Schelde uitgaf, maar nam in 1934 ontslag wegens de
toenemende invloed van het VNV. In augustus 1940 trad hij toe de
Eenheidsbeweging VNV. Zijn deelname aan de zgn. Bormscommissie voor rechts- en
eerherstel van veroordeelde Aktivisten uit de Eerste Wereldoorlog leverde hem
een nieuwe veroordeling op van vijftien jaar. Na veertien maanden effectief te
hebben uitgezeten kwam hij tot de bedelstaf gebracht enkele jaren later aan zijn
einde. (terug naar tekst)
(23) Leo Augusteyns (1870-1945), vóór de Eerste
Wereldoorlog liberaal volksvertegenwoordiger, gematigd Aktivist die fel gekant
was tegen de Raad van Vlaanderen. Na de oorlog kwam hij terecht bij Het
Vlaamsche Front (de Frontpartij). Hij was tevens een hevige tegenstander van het
Vlaamsch Nationaal Verbond. Toen een deel van de Antwerpse Frontpartij naar het
VNV overstapte, startte hij in 1936 met het Federalistisch Volksfront, dat in
1937 samen met de Vlaamsche Kommunistische Partij van Jef van Extergem en enkele
andere splintergroepen het kartel Vlaamsche Blok voor Zelfbestuur en Demokratie
vormde. Dat kartel nam in oktober 1938 zonder veel succes deel aan de
gemeenteraadsverkiezingen te Antwerpen. In 1927 was Augusteyns ook nog
medestichter van Het Vlaamse Kruis vzw, waarvan hij nationaal schatbewaarder
werd. (terug naar tekst)
(24) Frontwacht, de jongerenorganisatie van Het Vlaamsche
Front. (terug naar tekst)
(25) AVNJ, Algemeen Vlaamsch Nationaal Jeugdverbond,
ontstaan in 1928 als een bundeling van diverse Vlaamsche Wachten en
jeugdorganisaties, aanvankelijk onder leiding van Jan van Hoogten, dat eind 1933
aan het Vlaamsch Nationaal Verbond werd gelieerd als partijjongerenorganisatie.
Het Vlaamsch Verweer, de militantengroep van het AVNJ, werd omgevormd tot de
Grijze Brigade, de VNV-militantenorganisatie. (terug naar
tekst)
(26) Légion Nationale,
de eerste fascistische beweging in België, opgericht
in 1922. Ze kwam na enkele jaren onder leiding van de Luikse advocaat en
voormalig frontofficier uit de Eerste Wereldoorlog, Paul Hoornaert. Het
Nationaal Legioen, dat steeds het sterkst bleef in de thuisbasis Luik, was in de
eerste plaats een Franstalige Belgicistische organisatie, met een eerder minieme
aanhang in Vlaanderen. Het legioen was zeer monarchistisch, rechts-autoritair,
corporatistisch, antisemitisch en antidemocratisch gericht; dit laatste was ook
de reden dat er nooit een toenadering kwam met Rex van Léon Degrelle. De
organisatie wierf voornamelijk onder oud-strijders van 1914-1918 en in het
actieve leger, en speelde ook een rol bij een mislukte staatsgreep in 1936. Op
haar hoogtepunt telde het Nationaal Legioen een 4 à 5.000 leden, waarvan een
1.000-tal tot de militie ‘Jeune Garde Nationaliste’ zouden behoord hebben. De
leden ervan droegen, naar Italiaans model, oorspronkelijk zwarte uniformhemden,
maar om de associatie met de Italiaanse zwarthemden te vermijden, werd
overgeschakeld naar een blauw uniformhemd. Algemeen wordt gesteld dat het
legioen vanwege zijn Belgisch patriottisme tijdens de Tweede Wereldoorlog in het
verzet stapte. Een deel ging ook effectief in juni 1941 op in de Mouvement
Nationale royaliste (NKB, Nationale Koningsgezinde Beweging, te Aarschot
opgericht door twee ex-rexisten die gekant waren tegen de collaboratie), een van
de wezenlijke bestanddelen van wat kort daarna het Geheim Leger (Armée Secrète)
werd. Deze stap leidde tot een arrestatiegolf door de Duitsers tegen de leiding
van het legioen. Een honderdtal verantwoordelijken werden gearresteerd en een
twintigtal overleefden de Duitse concentratiekampen niet, waaronder leider Paul
Hoornaert die in februari 1944 stierf in het kamp van Sonnenburg. (SCHURMANS,
Fabrice: Les débuts du Nouveau Journal sous l'occupation
(1940-1941). Analyse critique du témoignage de
Robert Poulet, in
Textyles,
Revue des lettres belges de langue française, nr. 15, voetnoot 26,
zie
http://www.textyles.be/textyles/pdf/15/Schurmans-15.pdf); de
BOSSCHÈRE, Guy en VAN LIERDE, Jean: La guerre sans armes: douze années de
luttes non-violentes en Europe, 1952-1964, 2002. (De Bosschère was in zijn
jeugd zelf lid van het Légion Nationale.) Anderzijds
sloten heel wat, voornamelijk jongere leden van het legioen, die eerder
anti-Brits waren ingesteld, zich aan bij collaboratiegroepen zoals de Amis du
Grand Reich Allemand, de Service de Travail Volontaire Wallon (de Waalse
tegenhanger van de Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen) of het
Légion Wallonie (die aan het Oostfront werd ingezet). Enkelen onder hen
hadden in de Spaanse Burgeroorlog aan de zijde van Franco gevochten.
(terug naar tekst)
(27) Delta-kokaal, Vlaams huis van VNV-signatuur.
(terug naar tekst)
(28) dr. Antoon Jacob (1898-1947), gematigde Aktivist in de
Eerste Wereldoorlog die in 1937 lector werd aan de universiteit te Hamburg en
evolueerde in pro-Duitse en nationaal-socialistische richting.
(terug naar tekst)
(29) R.I.P., ‘nom de plume’ van August Monet,
hoofdredacteur van de liberale krant De Nieuwe Gazet.
(terug naar tekst)
(30) Paul Emile Janson (1872-1944), liberaal politicus,
meermaals minister tussen 1920 en 1939, en – kortstondig – de enige liberale
eerste minister (van een driepartijenregering van 23 november 1937 tot 13 mei
1938) tussen 1900 en 1999. (terug naar tekst)
(31) Ward Hermans (1897-1992), werd in 1915
oorlogsvrijwilliger en was tot mei 1918 soldaat aan het IJzerfront, werd actief
in de geheime Frontbeweging en werd als straf naar het zogenaamde
Houthakkerspeloton aan de Orne overgeplaatst. Was na de Eerste Wereldoorlog
eerst actief in het Verbond der Vlaamsche Oudstrijders en Het Vlaamsche Front,
waarvoor hij tot volksvertegenwoordiger werd verkozen op 26 mei 1929. Van een
vaag sociaal-nationalistisch pacifisme evolueerde hij over een revolutionair
nationalisme tot het nationaal-socialisme. Hermans, een zeer eigengereide man,
kwam in elke organisatie waarin hij actief werd al snel in conflict met meer
gematigden of de partijleiding, zo onder meer in het Verdinaso (1932-1934) en
het Vlaamsch Nationaal Verbond, waarvoor hij werd verkozen tot
volksvertegenwoordiger op 2 april 1939. Na zijn terugkeer uit een Frans
concentratiekamp, waarnaar hij samen met enkele duizenden ‘staatsgevaarlijke’
personen in mei 1940 was gedeporteerd, verliet hij het VNV en stichtte samen met
René Lagrou de Algemeene SS-Vlaanderen, en werd in december 1940 hoofdredacteur
van De SS-Man. Na zijn vrijlating in mei 1955 bleef hij schrijven tot aan
zijn overlijden, maar speelde geen rol van betekenis meer. Hermans was een
veelschrijver: niet enkel heeft hij diverse werken, dichtbundels en dagblad- en
tijdschriftartikels gepubliceerd. In diverse archieven, ook in het Bormshuis,
zijn ontelbare notities, brieven en ongepubliceerde gedichten van hem bewaard
gebleven. (terug naar tekst)
(32) Herman van Puymbroeck (1884-1949), was van 1922 tot
1927 voorzitter van Het Vlaamsche Front (de Frontpartij), was van 1933 tot 1938
hoofdredacteur van De Schelde/Volk en Staat, maar werd toen door
de VNV-leiding vervangen wegens zijn te openlijke sympathie voor het Duitse
nationaal-socialisme. Kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog terecht in de
pro-Duitse kringen van de Algemeene SS-Vlaanderen en de DeVlag.
(terug naar tekst)
(33) Herman Vos (1889-1952), Aktivist tijdens de Eerste
Wereldoorlog, onder meer als lid van de Raad van Vlaanderen,
volksvertegenwoordiger van 1925 tot 1932. Daar hij niet akkoord ging met de
Vlaams-nationale partijpolitieke eenmaking in het VNV in 1933 stapte hij over
naar de socialistische Belgische Werkliedenpartij waarvoor hij in 1936
gecoöpteerd senator werd. Was actief in het socialistische verzet tijdens de
Tweede Wereldoorlog en werd na de oorlog minister van Openbare Werken en
Openbaar Onderwijs. (terug naar tekst)
(34)) Hilaire Gravez (1889-1974), frontdokter tijdens de
Eerste Wereldoorlog, Vlaams-nationaal senator van 1929 tot 1932 en van 1936 tot
1939, werd in oktober 1933 leider van het AVNJ dat onder de paraplu van het
Vlaamsch Nationaal Verbond kwam. In 1938, toen hij onder die voogdij probeerde
uit te komen om het AVNJ in nationaal-socialistische richting te stuwen, werd
hij vervangen door dokter Edgar Lehembre. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was
Gravez actief in de Algemene SS-Vlaanderen en de DeVlag.
(terug naar tekst)
(35) Edgar Lehembre (1903-1970), van 1938 tot 1941 leider
van het AVNJ en van 1941 tot 1943 van de opvolger ervan, de NSJV (Nationaal-Socialistische
Jeugd Vlaanderen). (terug naar tekst)
(36) Herman van Ooteghem (1899-1962), tijdens de Tweede
Wereldoorlog werd hij “Brigade Inspecteur” met de rang van Heerbanleider in de
eengemaakte militie van de Eenheidsbeweging VNV, de Dietsche Militie-Zwarte
Brigade. (terug naar tekst)
(37) eigenlijk ‘Den Tir’, destijds een kazerne met
bijhorend schietoefenterrein in de Antwerpse wijk Kiel.
(terug naar tekst)
(38) Organisation Todt, Duitse militaire bouwonderneming,
opgericht in 1938, stond onder meer in voor de bouw van de Atlantikwall aan de
Atlantische kust. (terug naar tekst)
(39) Bert Meuris, door Jan van Hoogten om die reden
ontslagen uit het Vlaamsch Verweer, werd tijdens de Tweede Wereldoorlog
Heerbanleider van de Dietsche Militie-Zwarte Brigade en vanaf oktober 1942
commandant van de Fabriekswacht, een paramilitaire eenheid die
bewakingsopdrachten uitvoerde voor de Duitse Luftwaffe.
(terug naar tekst)
(40) Lode Bonten (1906-1975), lid van de Vlaamsch-Nationale
Wacht Antwerpen-Zuid die in 1928 dienst weigerde in het Belgische leger omdat
hij geen Franse bevelen wou opvolgen, en tijdens de Tweede Wereldoorlog
Oostfronter werd. (terug naar tekst)
(41) Jef Missoorten (1897-1964), lid van de
Vlaamsch-Nationale Wacht Antwerpen-Noord die in 1928 leider werd van het
Vlaamsch Verweer in het kader van het AVNJ. Nadat hij in 1930 naar aanleiding
van het aangehaalde incident door Jan van Hoogten werd uitgesloten, richtte hij
een eigen Vlaamsche Militie op, die hij in 1931 bij het ontstaan van het
Verdinaso omvormde tot de Antwerpse afdeling van de dinasomilitie Dietsche
Militie. Na wrijvingen met Verdinasomilitieleider Jef François verdween
Missoorten in 1936 uit het Verdinaso. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij,
net als Meuris, officier bij de Dietsche Militie-Zwarte Brigade en daarna bij de
Fabriekswacht. (terug naar tekst)
(De biografische gegevens voor deze voetnoten komen deels uit de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973-1975) en de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (1998).)
Luk Dieudonné
1 februari 2008